



Duizend jaar Amsterdam en haar strijd met water.
Gemaakt in opdracht van het NAP museum

Je begint in het jaar 1003, als boer op het veen langs de Amstel. Er is geen dijk en niemand meet het water: het land ligt nog hoger dan de zee. Generatie na generatie graaft sloten, het land zakt en de zee komt dichterbij. In 1275 ligt er een dam van klei dwars door de rivier, en staat de naam van deze plek voor het eerst op perkament: Amestelledamme.


Het is 1665. Op een oorlogsschip dat de vloot van de Oost-Indische Compagnie begeleidt, vaar je de grootste haven ter wereld binnen, bij springtij en wind uit het noordwesten. Achter de sluizen houdt de stad haar water op één vaste hoogte. Burgemeester Johannes Hudde laat later stenen met een streep erin in de sluizen metselen: het Amsterdams Peil. Vandaag is dat het Normaal Amsterdams Peil, het NAP: het nulpunt van elke hoogte in Nederland. Je staat bij die steen aan de gracht en ziet hoe hoog het water hier in 1953 had kunnen staan.


Dan stijg je op en zie je heel Nederland in één blik. Je ziet de zee binnenkomen alsof er geen dijken waren, en je ziet een van de plannen die daartegen bestand zijn: een tweede kustlijn, verder in zee, stap voor stap gebouwd tot 2100. En als je de bril afzet, is het echte nulpunt dichtbij: het NAP in de lichtstraat van Amstel 1.
